Kweekbak inrichten: jonge vissen of garnalen apart opkweken
Je ziet het soms pas na weken: een stel kleine silhouetjes dat tussen de planten dartelt. Of je koopt doelbewust een koppel vissen met de bedoeling ze te laten voortplanten. Wat er daarna gebeurt, bepaalt of de jongen het halen. In een goed bezette hoofdbak eten volwassen vissen jongen op zodra ze ze kunnen vinden, en een standaardfilter zuigt garnaaltjes van 1 mm letterlijk op. Dit artikel legt uit hoe je een eenvoudige maar effectieve kweekbak inricht, met de juiste filter, verwarming en voeding voor de eerste kritieke weken.
Waarom een aparte bak bijna altijd noodzakelijk is
In de meeste aquaria eten volwassen vissen jongen op zodra ze ze kunnen vinden. Dat geldt zelfs voor de ouders bij veel soorten: guppyvissen eten hun eigen jongen. Garnaaljongen zijn zo klein (1 tot 2 mm) dat ze bij de minste zuigkracht van een filter of de mond van een tankgenoot verdwijnen. Een kweekbak, ook wel opkweekbak of broedaquarium genoemd, is een aparte bak die uitsluitend dient als tijdelijke opgroeiplek. Je plaatst er de jongen in, of de zwangere dan wel broedzorgende ouder, totdat de jongen groot genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen.
Hoe groot moet een kweekbak zijn?
Een kweekbak hoeft niet groot te zijn, maar te klein is funest voor de waterkwaliteit. Voor levendbarende vissen zoals guppy, platy en molly volstaat 20 liter voor een eerste ronde. Eierleggende soorten hebben iets meer ruimte nodig om te paaien: 30 liter is een realistisch minimum. Garnalenjongen (neocaridina, caridina) kunnen prima in dezelfde bak als de ouders opgroeien, mits je een sponsfilter gebruikt en voldoende schuilplekken biedt. Wil je ze toch apart zetten, dan is 15 tot 20 liter prima. Grotere inhoud geeft meer buffercapaciteit voor waterwaarden, maar 20 liter is het startpunt dat wij voor de meeste hobbyisten adviseren.
De filter: hier gaat het het vaakst mis
Een gewone interne pomp of buitenfilter zuigt jonge vissen en garnaaltjes letterlijk op. De enige veilige keuze voor een kweekbak is een sponsfilter: een poreuze spons met een luchtpomp erachter, die water langzaam door het materiaal trekt. De doorstroming is traag genoeg om zelfs pas uitgekomen garnaaltjes van 1 mm buiten te houden. Bijkomend voordeel: de spons zelf wordt een kolonie nitrificerende bacteriën, precies zoals de stikstofkringloop vereist. Koop de spons een paar weken voor je hem nodig hebt en hang hem in je hoofdbak, zodat hij al is ingekweekt op het moment dat je de kweekbak opstart. Dat scheelt weken wachten en een gevaarlijke ammoniakpiek.
Waterwaarden en verwarming: stabiel boven alles
Jonge dieren verdragen schommelingen slechter dan volwassenen. Probeer de temperatuur in de kweekbak overeen te laten komen met de hoofdbak, zodat de overgang minimaal stress geeft. Voor tropische soorten is dat doorgaans 26 tot 28°C. Een kleine verwarmingsstaf van 25 of 50 watt is voldoende voor een bak van 20 tot 30 liter. Hoeveel vermogen je precies nodig hebt, bereken je als volgt.
Test de waterwaarden de eerste twee weken dagelijks op nitriet. Zodra nitriet stabiel op nul staat, kun je terugschakelen naar om de dag meten. Kleine dagelijkse waterverversingen van 10 tot 15 procent houden nitraat laag zonder de jongen te stessen door grote temperatuurschommelingen.
Voeding: wat jonge vissen en garnaaltjes nodig hebben
Hier gaan veel kweekpogingen mis. Normaal vlokkenvoer is te groot en zinkt te snel weg. Jonge levendbarenden boven 5 mm eten fijn vergruisd vlokkenvoer of artemia-nauplii, de kleine zwemlarvjes van pekelkreeftjes die je binnen 24 tot 48 uur uitbroedt uit gedroogde eieren in zoutwater. Ze zijn zo'n 0,4 mm groot en daarmee de gouden standaard voor pasgeboren vissen. Jongen van eierleggers die kleiner uitkomen, zoals tetras en corydoras, beginnen op infusoriën: microscopisch kleine organismen die je kweekt op hooi of koopt als vloeibaar startvoer. Garnalenjongen eten biofilm, de dunne bacteriënlaag die op alle oppervlakken groeit, aangevuld met fijn poedervoer.
Wanneer gaan de jongen terug naar de hoofdbak?
Er is geen vaste leeftijd, wel een vaste maat: de jongen moeten te groot zijn om door de grootste mond in je hoofdbak te passen. Als vuistregel geldt dat de jongen minstens een derde van de lichaamslengte van de grootste bewoner moeten hebben bereikt. Een volwassen neontetra van 3,5 cm eet geen jong van 1,2 cm of groter. Een grote cichlide van 10 cm trekt de grens veel hoger, bij zo'n 3,5 cm. Controleer dit voor je eigen hoofdbak voordat je een jong dier overplaatst.
De overplaatsing doe je bij voorkeur na een gedeeltelijke waterverversing in de kweekbak, zodat de waterwaarden al zo dicht mogelijk bij die van de hoofdbak liggen. Hoeveel extra vissen je hoofdbak aankan, bereken je met de gratis calculator op deze site. Zo weet je direct of je alle jongen kunt houden of een deel kwijt moet.